Translate

28-12-13


Proloog


De pijn dwingt me mijn ogen gesloten te houden. Als ik mijn
arm optil om mijn voorhoofd te masseren, slaat hij ergens
tegen aan. Een wand? Een kast? Mijn oogleden trillen. Ergens
boven me is een smalle lichtspleet in een verder compleet
donkere ruimte.
Terwijl de rest van mijn hoofd ook ontwaakt, hoor ik een
zacht gekreun. Ben ik dat?
Ik lig op mijn rug en voel om me heen. Een stugge stof
omringt me, met direct daarachter iets hards, als een
afgesloten ruimte.
Met een schok open ik mijn ogen en kom ik razendsnel
overeind. Ik stoot mijn hoofd en klap net zo hard weer terug
op iets wat de naam kussen niet verdient.

Ik weet het allemaal weer. En terwijl het gesprek terugkomt
– wanneer was het? – lift de radeloosheid net zo hard mee.
Zijn wanhopige ogen, de woorden met een verkeerde kleur,
zijn armen, de scherpe pijn. En de kist die uitnodigend
openstond.
‘Samen weg. Dat wilde je toch, Pien? Maar niet met mij, hè?
Niet met mij!’
Ik heb gesmeekt, maar ik kon niet tegen hem op.
Terwijl ik de lichtspleet aftast dringt het tot me door. Levend
begraven. De benauwdheid drukt mijn borstkas in tot ik zo
snel begin te ademen dat ik bang ben te gaan hyperventileren.
‘Rustig, Pien. Blijf rustig. Doe het voor Eva,’ fluister ik.
Mijn woorden worden direct geabsorbeerd door de stilte,
waardoor de gewenste rust nog verder wegdrijft. Pas als ik
mijn handen op mijn buik leg en me heel sterk concentreer op
mijn ademhaling, word ik langzaam wat rustiger. ‘Levend begraven, dat wel. Onder de grond, dat niet.’ Ik zeg
de woorden hardop zodat ze beter tot me doordringen. Ik mag
de angst geen kans geven. De lichtspleet trekt weer mijn
aandacht. ‘Niet onder de grond,’ herhaal ik voor alle
zekerheid, zodat het goed in mijn brein wordt opgeslagen,
waar paniek op de loer ligt.

Voorzichtig probeer ik op mijn zij te draaien, maar de ruimte
is te beperkt. Al snel zit ik klem tussen de deksel en bodem
van mijn doodskist. Ik duw hard tegen de deksel, zet mijn
lichaam als hefboom in, maar er is geen beweging in te
krijgen. Er razen zoveel gedachten door mijn hoofd dat ik niet
weet welke ik het eerst vast moet grijpen. Ik moet eruit. Eva is
in gevaar!
Ik bons met mijn vuist tegen de deksel en schreeuw zo hard
als ik kan: ‘Hallo! Help me, ik zit opgesloten. Haal me hier
uit.’ Spits dan mijn oren, wil elk klein geluidje op kunnen
vangen, maar hoor alleen stilte om me heen.
Het is warm, en een haar kriebelt vervelend op mijn
voorhoofd. Omzichtig breng ik een hand langs mijn lichaam
naar boven en veeg het zweet van mijn voorhoofd. Is er wel
voldoende lucht? Wordt het mijn dood, hier in deze afgesloten
ruimte? Of is het alleen maar inbeelding? Hij wil me niet
dood, toch?
Net als ik weer wil bonzen hoor ik iets. Geschuifel. Een
ademhaling. Gesnuif.
‘Help me,’ schreeuw ik uit alle macht, terwijl ik opnieuw
hard tegen de deksel ram.
Weer geritsel, en dan niets meer. Weg.

De beklemmende stilte omsluit me. Ik wil huilen, me
overgeven aan de wanhoop. Niemand is geïnteresseerd in mij.
Niet meer. Zijn zorgvuldig opgebouwde getreiter heeft me tot
uitschot gemaakt. Compleet verlaten door iedereen. Met mijn beide onderarmen tegen de deksel aan gedrukt laat ik mijn
tranen lopen.
Ik ben niet belangrijk. Voor niemand. Maar het gaat mij om
Eva. Nu ik hier begraven ben, loopt zij groot gevaar en is er
niemand meer om mijn dochter te beschermen.


Uit het boek  Ik volg je van Marelle Boersma, haar nieuwste thriller over stalking

Meer over Marelle Boersma kunt u vinden op www.marelleboersma.nl


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen